Alles over Opperdoes en de Opperdoezer-ronde

Geschiedenis van Opperdoes

 

Home
Opperdoes
Gallery
Nieuws
Games
Links
\Opperdoes \geschiedenis \Almersdorp\


Almersdorp

"Opperdoes, dorpje aan de Zuiderzee".
Zo luidde een van de strofen uit een herdenkingslied, dat werd gedeclameerd ter gelegenheid van het 60-jarig jubilieum van de veilingsvereniging "Ons Belang" te Opperdoes, gehouden op 30 en 31 mei 1963. Het klinkt schoon, maar is onjuist, want in feite heeft Opperdoes nooit aan zee gelegen. Bijna 6 eeuwen lang lag het ongeveer een kilometer van de oude Westfriese omringdijk verwijderd.


De Gouw zoals deze zich aan het einde van de 19e eeuw vertoonde. Links is het oude gemeentehuis op dezelfde plaats waar nu het nieuwe in 1928 gebouwde raadhuis staat. In oude tijden vonden de rechtszittingen plaats op het dorps- of gouwplein onder de bomen bij de gemeenschappelijke waterput en het altaar, later, in de christelijke tijd werd deze traditie, zij het nu zonder altaar, voortgezet. Bij slecht weer vonden de bijeenkomsten in de kerk plaats.


In 1334 sloot de nieuwe dijk tussen Medemblik en Heerencoogh bij Barsingerhorn een groot gedeelte van het land dat in 1930 weer droog zou vallen, buiten. Voordien lag Opperdoes zelfs 4 a 5 kilometer van de oude Zeedijk verwijderd. Tussen Opperdoes en die oude Zeedijk lag al sinds oude tijden een nu verdwenen dorp: Almersdorp, dat bij de inlaag van 1334 werd buiten gelaagd, zoals dat heete en dus tussen de oude en de nieuwe dijk kwam te liggen. De oude Dijk, die sinds 1334 niet meer werd onderhouden en dientengevolge gelijdelijk aan door de zee werd vernietigd, was in 1334 zo goed als onhoudbaar geworden. Er zijn aanwijzingen dat Almersdorp al eerder naar het Zuiden was verlegd daar het gebied waarin het dorp was gelegen steeds veelvuldiger door het zeewater, dat bij iedere vloed verder landinwaarts drong, onbewoonbaar werd. Het dorp schijnt namelijk an in prea-historische tijden aan de oude Zeedijk te hebben gelegen, ingeklemd tussen twee meren en wel het IJvingemeer ten Oosten, tussen Medemblik en Almersdorp en het Velsekermeer ten Westen, tussen het eveneens prijsgegeven Gawijzend of Gousend, ten Noorden Aartswoud en het oude Almairsdorp zoals het soms in oude charters ook wel heet. Deze meren, die waarschijnlijk tot aan de toemalige zeedijk reikten, maakten de positie van de Zeewering vooral na 1170, toen het dorp definitief zeedorp werd, uiterst zwak. Na veel heen en weer gepraat werd op 27 november 1328 octrooi verleend tot het terugleggen van de dijk naar de plaats waar ze nu nog ligt. Willem van Henegouwen had al 16 jaar daarvoor in 1318 toestemming verleend de dijk te verplaatsen. Dit proces had zich al verscheidene malen herhaald. Want nog in 1094 werd gesproken van een oudere Noordelijker gelegen dijk waarschijnlijk ongeveer lopende van Kolhorn nar het oosten. Oude kaarten tonen aan dat ook ten Noorden van Medemblik land verloren is gegaan. Resten van een nog verder naar het Noorden gelegen dijk werden tijdend de drookmaking van de Wieringermeer aangetroffen, lopende, naar men aanneemt, van het tegenwoordige Wieringerwaard, bij Anna-Paulowna, naar de Oude Zeug en zelfs nog verder tot aan de Gammels in het tegenwoordige IJselmeer ten Oosten van Oude Zeug. Ook rondom Wieringen zijn resten van dorpen gelocaliseerd.


Het oude gemeentehuis aan de Gouw met op de achtergrond de toren van de Nederlandse Hervormde Kerk (dorpstoren). De gemeentelijke zelfstandigheid dateert uit 1795 toen met de instelling van de Bataafse republiek ook Opperdoes, dat eeuwenlang onder het schoutsambt Medemblik had geressorteerd een eigen municipaliteit verwierf.


Tussen de landen ten Noorden van Westflinge, zoals West Friesland oudtijds heette en de landen van Wieringen bevond zich in de tijden voor de Wadden en Zuiderzee ontstonden het oude Wieringermeer. Hier zullen, ver voor historische tijden, de grenzen van de oude Friese gouwen Wertflinge en Wiron zijn Samengekomen. Sinds in de 8e eeus de Noordzee een doorbraak forceerde tussen Huisduinen en Texel, tengevolge waarvan enorme gebieden in de tegenwoordige Waddenzee tot water werden, drong de zoute zee in een reeks van vloeden steeds meer Zuidwaarts op, tot in 1170 de zee de oude Meerdijk bij Almersdorp bereikte. Welk dorp toen al aan het via twee dijkinlagen uitgebreide Wieringermeer of Almere was komen te liggen. Een meer, dat waarschijnlijk al eerder in verbinding stond met de brede Fliestroom, die vanuit het Zuidelijker gelegen Flevomeer zijn wateren Oostelijk langs Medemblik door de al eerder ontstane Waddenzee naar de kusteilanden, nu de Wadden, stuwde, om tussen Vlieland, dat toen nog aan Texel vastzat, en Terschelling, de Noordzee te breiken. Sinds de verschillelijke Allerheiligenvloed van 1170 wankelde het oude Almarsdorp aan de rand van de ondergang. Eens ontstaan uit een nederzettingaan een betrekkelijk veilig en rustig binnemeer, werd het plotsklaps gebeukt door woeste zeevloeden. In 1219 dreunde de Marcelliusvloed tegen de dijk, twee jaar later was dit de Matthiasvloed, in 1257 de St. Geronsstrom. Steeds opnieuw sloegen de schuimende golvenbmassa's over de oude niet op dit geweld berekende Wierdijk en tenslotte braken ze hem. In 1318 hebben de boeren van Almersdorp hun terpen verlaten. Sindsdien stonden hun huizen op de hoger gelegen gronden tussen het IJvingemeer en een uitloper van de Braack, een door dijkbreuken aan de Westzijde van Medemblik en in de Oosterdijk ten zuiden, onstaan meer, dat van het land tussen Opperdoes en Oostwoud alsmede van dat tussen Wervershoof en Opperdoes een gebied van plassen en moerassen had gemaakt. Ook ten Westen en Noorden van de terpen, waarop Opperdoes lag, strekten zich rietlanden en poelen uit. Het oude archief van het heemraadschap van de Vier Noorder Koggen begint met de perikelen die handelen over de dijkinlaag van 1334. In 1289 was dit gebied na een veroveringsoorlolog die bijna 3 eeuwen had geduurd, tegelijk met geheel Werst Friesland door Floris V bij het graafschap Holland gevoegd. Tot dien was het Fries gebied geweest.


De bannen Almersdorp en Opperdoes behoorden tot het Overleker of Hooghoutwouder ambacht dat op zijn beurt weer deel uitmaakt van de Gouw of Go Westflinge, dat samen met Wiron en Texla, de kop van Noord-Holland, Texel en Vlieland plus grote oppervlakten nu verdronken land tot aan de Fliestroom ten Oosten van Texel en een gebied dat nu de Zeevang en Waterland omvat, de Warf Werst Friesland vormde.
Vier van zulke warven werden een zeeland genoemd. Zeven zeelanden vormden de Friese statenbond van Aurich. Zo wil het de overlevering teminste. Het Houtwouderambacht was onderverdeeld in vier koggen, die ieder weer, op haar beurt onderverdeeld in bannen, vier ferendels of kwartieren omvatte. Het gebied van een banne, ook wel ga of hemmerik genoemd, viel samen met dat van een dorp.

Opperdoes, toen nog Doys geheten, wat misschien laag bos betekent, vormde een zo'n banne. De banne Doys maakte deel uit van de Medemblikker kogge, in de Hollandse tijd een schoutsamt. Deze koggen, aanvankelijk vrijwillig aangegane unies van bannen of koggekwartieren verzorgden de heervaart, dat is de militaire dienstplicht, de waterhuidhouding en het dijkonderhoud. Vier koggen vormden een ambacht dat de hoge rechtspraak uitoufende, d.w.z. ondermeer doodstraffen uitsprak en uitvoerde. Ieder ambacht was binnn de Gouw dus eigenlijk een autonoom republiekje. In de Friese tijd, dus voor 1289, oefenden de buren, dat zijn de bewonders van de aesdommen het bestuur uit door middel van gekozen asings, rechters en preisters, samen met de asega, het dorpshoofd. In elke buurt behoorden 4 heoven te staan, de bezitters daarvan heetten homannen of swannots, die alle opwonenden, het personeel, de kinderen en de slaven vertegenwoordigden als zogenaamde volle buren. De buren of tijksten kozen de asings, die uit hun midden een asega aanwezen. Zo was de verkiezing tot dorpsbestuurder dus gebonden aan het bezit van huis en erf.
Boven de asega stond in het go-vierendeel, de Kogge. Een scelta, later schout genoemd en daarboven, in het ambacht, een frama of hoofdschout, ook wel hoogschout genoemd in tegenstelling tot de laagschout of dorpsbestuurder, die alleen het zogenaamde lage recht, dus geen zwaardrecht, kon uitoefenen, waarboven dan nog weer ding of warfrichters stonden, in de warven, met bestuurders of president franas in de gouwen onder zich. De zeelanden werden bstuurd door koningen of hertogen, een soort militaire aanvoerders en opperrechters. Het geheel van het Friese rijk, had als fedrale bond der zeven zeelanden het opperding onder de Upstallboom bij Aurich in Oost Friesland. Doordat tengevolge van het ontstaan der Zuiderzee West Friesland, waarschijnlijk gedurende de 10e eeuw van Mid Friesland, de tegenwoordige provincie Friesland plus Noord Groningen, werd gescheiden en in tegenstelling tot de Oostelijk van het Flie gelegen gebieden, die onder Saksische heerschappij kwamen, binnen de Frankische invloedssfeer kwam te liggen werd deze scheiding van het overige Frielsand, zowel staatkundig als cultureel, definitief. De Westelijke Zeelanden, die zich eens tot in Vlaanderen uitstrekten waren al in de Romeinse tijd verloren gegaan tot aan de Oude Rijn.


De Smidse met gezicht op het Zuiderpad. De boom links, die al vele jaren geleden werd gerooid, was een laatste overblijfsel uit de tijd dat de Gouw nog gebruikt werd als vergaderplaats van de buren en het gericht van de banne. De dorpssmederij diende vroeger tevens als hoefsmederij.

In de 9e eeuw ontstond tussen Oude Rijn en IJ het graafschap Holland, dat in 985 ook Kennemerland verwierf. Sindsdien begint de strijd om Wers Friesland die tot 1288 zou voortduren. In dat jaar onderwierp Floris V de overblijfselen van de 3 nog resterende gouwen Westelijk van het Flie, Texla, Wiron (Wieringen) en Werstflinge, het huidige West Friesland binnen de omringdijk, voorgoed aan Holland. In 1299, werd Werst Friesland, zoals het voortaan zou heten verdeeld in 2 baljuwschappen, Ooster en Wester. Het Ooster Baljuwschap heette ook wel Baljuwschap van Medemblik. De stad die als eerste in het nieuwe Hollandse gewest al in 1289 stadsrechten had verkregen als beloning voor haar neutraliteit, met de hele Kogge, gedurende de Hollandse veroveringstocht, behoorde echter niet tot dit baljuwschap, alleen het platteland. In 1414 werd het hele gebied van de beide baljuwschappen verdeeld in 7 zogenaamde plurale of landsteden en 3 urbaine of stadsteden. Opperdoes werd met Almersdorp, Oostwoud en Wervershoof bij Medemblik gevoegd. De dorpszaken bleven aan de banne als voorheen. De Hollandse graven grepen de door de oorlog deerlijk verwaarloosde dijverzorging meteen krachtig aan. Vandaar de nieuwe dijk die voor Almersdorp het einde inluidde. Vonsten aangetroffen bij wegverbredingen en werkzaamheden aan de oude Zeedijk bij de Almerdorperweg hebben aangetoond dat het kerkje van dit verdwenen dorp uit 1100 heeft gedateerd. In 1434, dus een eeuw na de inlaag, was deze kerk kennelijk verdwenen. Men neemt aan dat de bouw van de eerste kerk in Opperdoes ongeveer uit dezelfde tijd als die van Almersdorp dateert.

In 1434 werd vermeld dat Almersdorp een onder de kerk van Opperdoes ressorterende kapel bezat, toegewijd aan de H. Pancratius. Deze kapel werd tot 1513 in goederenlijsten van het bisdorn Utrecht (de Proosdij van West Friesland, ingesteld in 1395) genoemd, daarna schijnt ze tegelijk met de restanten van het dorp te zijn verdwenen. In 1548 schijnt het echt gebeurd te zijn met Almersdorp. Er wordt dan een houten hoofd in zee gelegd aan de Oostzijde van Almersdorp. In 1514 werd overigens al gemeld dat er nog slechts een huis aan de dijk was overgebleven. Hoewel nog in een akte van boedelscheiding tussen vader en zoon Wouters d.d. 18 december 1483 melding wordt gemaakt van een hoeve te Almersdorp in huur bij Pieter Jan Albertsz. Toen moet dus nog een gedeelt evan het dorp bewoond zijn geweest. Er dient hierbij te worden opgemerkt dat nog in 1932 op het zogenaamde hofstik bij de Almersdorperbrug een oude boerderij stond: "Almersdorp" geheten, plus enkele huizen langs de Almerdorperweg, die het oude "Koningsdorp" met Opperdoes verbond en nog steeds verbindt. Maar toen was de zee alweer verdreven. Want al in 1929 was de dijk tussen Medemblik en Den Oever gedicht en de Wieringermeer geboren. 21 augustus 1930 was het zes eeuwen eerder uitgelaagde land weer droog. Een huis van het in 1334 prijsgegeven Almairsdorp had het net lang genoeg geleeft om de herwinning van de verloren gronden te aanschouwen. Het verdween in hetzelfde jaar dat de Zuiderzee tot IJselmeer werd door het dichten van de Afsluitdijk (28 mei 1932) in de Vlie. Ook land gaat en komt terug.


Vorige Naar boven Volgende