





|
\Opperdoes \geschiedenis \De kerk\
De kerk
De tegenwoordige kerk, die eigendom is van de Nederlandse Hervormde gemeente is een laat gotisch gebouw, dat
bestaat uit een vijf traveeen diep schip met een vijfzijdige koorsluiting en een voorgebouwde toren, die
burgerlijk, gemeentelijk eigendom is. Deze toren is opgetrokken in baksteen. Kerkrestauraties of
veranderingen vonden plaats is 1662, 1776, 1825, 1862-1867, 1903 en 1942. De laatste restauratie, waarbij de
toren opnieuw van een trans werd voorzien, vond plaats onder leiding van architect Cramer uit hoorn. Hierbij
bleek dat het schip was herbouwd met van voor de brand in 1517 daterend materiaal. De klok, die 78 cm hoog
is en een dimeter heeft van 90 cm, werd in 1527 geplaatst. De preekstoel dateert uit 1688. Het tekstbord uit
1701. Doophek en boog uit 1752. In 1838 werd een nieuwe spits op de toren geplaatst ter vervanging van de
oude die er in 1836 was afgewaaid, waarschijnlijk ging bij die gelegenheid de nog op oude prenten aanwezige
nu weer aangebrachte trans verloren. De overgang naar het protestantisme van de Opperdoezers begon ongeveer
op de helft van de 16e eeuw. Als eerste predikant wordt genoemd, in 1576, een zekere Albertus, volgens
sommigen tevens de laatste pastoor. Het is niet bekend wanneer deze het dorp verlaten heeft, of is
overleden, waarschijnlijk echter ongeveer in 1584. In dit jaar werd Opperdoes namelijk kerkelijk met Twisk,
dat al sinds 1572 een herder bezat, ds. S. Ripperus, verenigd. Predikant in Twisk in 1584 was P. Arientz
(1583-1593). Het is niet uitgesloten dat genoemde Ripperus eerder pastoor van Twisk was. Hij werd in 1579
opgevolgd door P. Alberts. Albertz bleef tot 1582 en werd toen opgevolgd in 1583 door de al genoemde
Arientz, die Opperdoes er na het vertrek of de dood van ds. Albertus in 1584 bij kreeg. De predikanten waren
in die troebele tijden van de grote godsdienstoorlog nog erg schaars. Pas in 1604 werd Opperdoes definitief,
eerst met een proponent (hulp predikant) en het volgend jaar met een eigen dominee, een zelfstandige
protestantse gemeente. In 1604 was F. Jansz (1595-1604) dominee in Twisk of juist weggegaan. In 1605 ontving
Twisk, nu weer los van Opperdoes, in ds. J. Lauwertz een nieuwe herder.
Het is opmerkelijk dat juist in de periode dat de beide dorpen een kerkelijke gemeente vormden zich in Twisk
een zogenaamde geestelijke opleving voordeed, die geresulteerd heeft in het ontstaan van een doperse
(doopsgezinde) groep in dit dorp. De opwekking wordt omschreven als een soort quakersbeweging die
bijeenkomsten in de open lucht hield en zich onderscheidde door grote devotie. Ze noemden zich de
"vergadering der vrienden". W. Direksz diende in 1604, na de afsplitsing van Twisk, Opperdoes als proponent.
Tussen 1604 en 1612 wordt als predikant van Opperdoes genoemd G. Pietersz, voorheen te Purmerland, die in
1612 werd opgevolgd door R. Pzn. van Triere, komende uit Etersheim die tot 1615 bleef. In die jaren waren er
uiteraard ook nog vele aanhangers van het oude katholieke geloof. De verhouding tussen beide groepen schijnt
vaak zeer slecht te zijn geweest. Deze katholieken werden bediend door pastoors die tegelijk Oostwoud en
Wervershoof bedienden.
Dit waren:
Kornelis Gratiani tot 1628
Joh Braber 1628-1629
Hermanus Vos 1629-1639
Laurens van Wouw 1639-1659
En verder nog Rembertus van Ente, Niklaas de Jong en N. Kramer. Na 1700 schijnt het aantal roomsgezinden
echter snel af te nemen. In 1839 telde het dorp nog 8% katholieken, ongeveer 45 personen. In 1628 waren dit
nog 18 families, evenals in 1634. In 1514 echter had pastoor Reynier Renesse nog 78 communicanten gehad.
Snelle afloop als der wateren. Omstreeks 1900 was het aantal Rooms Katholieken inwoners gereduceerd tot een
autochtoon gezin. Interessant is hierbij op te merken, dat in 1880, 8 van de 748 inwoners Joden waren (dit
was 1%), die samen met 31 Israelieten in Medemblik een gemeente vormden. In 1809 telde de Joodse gemeente te
Medemblik nog 54 leden.
De bonifaciuskerk te Medemblik waaronder Opperdoes en Almersdorp ressorteerden behoorde al sinds 1188
volgens een schenking aan de kerk van St. Maarten te Utrecht. Reeds in 989 werdt Those = Opperdoes genoems
in een zogenoemde giftenlijst van graaf Dirk II en zijn gemalin Hildegard aan het klooster te Egmond. In 993
bevestigde graaf Arnulf deze schenking aan genoemd klooster. Aan de hand van deze schenking kan dan ook
worden vastgesteld dat Opperdoes duizend jaar geleden al bestond. Het zou te ver voeren de geschiedenis van
de Hervormde gemeente in details weer te geven. bovendien komt een en ander al tot uitdrukking in de
lotgevallen van de in de loop der 19e eeuw ontstane plaatselijke kerkverbanden. De gemeente gbehoorde sinds
31 maart 1573, de eerste indeling van de protestantse kerken in Hoord Holland tot de ring Alkmaar. Deze
toestand duurde tot 1575. Daarna werd het ring Medemblik.
De Gereformeerden
De geschiedenis van de gereformeerde gezindte in Opperdoes is gezien in het licht van de kerkelijke situatie
in West Friesland interessant te noemen. Zoals eerder genoemd begint de verorthodoxing van dit globaal voor
1860 kerkelijk als zeer onverschillig bekend staande dorp toch al in 1822 met het optreden van de in 1779
geboren Jan Mazareeuw, die na als patriot gedurende de Franse tijd enige tijd maire te zijn geweest, om zijn
politieke instelling in 1813 na het vertrek van zijn vrienden, uit deze functie werd gezet, waarna hij zijn
oude stiel het borenbedrijf weer ter hand nam. Na zijn dood in 1855 scheen de secte die ter plaatse nooit
meer dan ongeveer 50 aanhangers telde ten dode opgeschreven; daar men uit vaak op orakeltaal gelijkende
geschriften en woorden van de profeet de indruk had gekregen dat hij niet zou stervan maar in leven zou
blijven tot de wederkomst van Christus, die volgens zijn leer aanstande was. Hij beschouwde zichzelf als de
laatste der grote profeten die het einde van de kerk en de sacramenten moest aankondigen. In mei 1855
overleed de profeet. Op zijn begrafenis verdrongen zich vele mensen, ook van buiten Opperdoes, in de
verwachting dat hij wel weer uit de dood zou verrijzen. Er gebeurde echter niets bijzonders. In 1834 was in
het verre Ulrum een beweging ontstaan van mensen die de verlichte kerk als een verwaterend zaakje
beschouwden. ds. H. de Cock die de zijns inziens van het bijbelse geloof afgevallen hervormde staatskerk
niet langer als "echt" kon zien, verliet na vele verwikkelingen de ecclesia. Hij kreeg aldra door het hele
land volgelingen. Al in 1842 stichten een aantal verontrusten in Medemblik en Opperdoes een afgescheiden
gemeente. In een huis op de Dam bij het stadhuis van Medemblik begonnen ze in dat jaar te vergaderen. Op 20
januari 1843 verleende koning Willem II toestemming tot institutie van de gemeente. De 30ste november 1845
werd ds. J. Bijzitter op een tractement van fl. 6,-- per week als eerste afgescheiden dominee in de
Radboudstad beroepen, een jaar later volgde zijn bevestiging. Al in 1847 vertrok hij echter weer naar
Andijk, waar al sinds 1836 een door ds. H. de Cock himself gestichte afgescheiden gemeente bestond. Het
scheen in Medemblik niet zo rooskleurig te gaan met de afgescheidenen want in 1849 werd de gemeente
ontbonden na gedurende verschillende jaren ten huize vn een zekere Jan Brouwer huisgodsdienstoefeningen te
hebben gehouden. Een kleine groep bleef echter ook na de ontbinding volhouden. Ze vergaderden toen aan de
Noorderwerg in Twisk bij een zekere Klaas Vlam aan huis. Deze getrouwen ressorteerden sindsdien kerkelijk
onder Andijk. In Medemblik conventikelde een ander gropeje, dat met de in 1844 tengevolge van onenigheden
over het al of niet aanvragen van erkenning der gemeenten aan de koning, ontstane kruisgemeenten
sympathiseerde, rustig verder in de woning van de al genoemde Jan Brouwer. Op 16 mei 1856 stichtte ds. Juch
predikant bij de Gereformeerde Kerken onder het Kruis, zoals de tegenstanders van wereldlijke erkenning van
gods kerk zichzelf noemden, een gemeente in Medemblik. Tot ouderlingen werden gekozen K. Zwier en P. Pijper,
beiden uit Opperdoes. De eerste oktober begon men weer als officieel geinstitueerde gemeente te vergaderen
en wel op de Nieuwstraat in een huis op de plaats waar later de gereformeerde kerk stond. Op 22 juli 1858
werd een beroep uitgebracht op ds. R.G. Kaman, deze nam het aan en op 5 september vond de bevestiging
plaats. Binnen een jaar echter in 1859, verdween ds. Kaman alweer doordat hij in het binnen de
kruisgemeenten ontstane conflict rond ds. v.d. Oever de zijde van deze koos en hierbij zijn kerkeraad niet
mee kreeg. Zijn opvolger was ds. W. Raman, die in 1861 weer naar zijn vorige gemeente Hellevoetsluis
terugkeerde. Op 5 augustus 1888 kwam ds. F. Moet uit Middelburen naar Opperdoes. In 1892 verenigden de
dolerende zich met de Christelijke Afgescheiden Kerken tot het verband der Gereformeerde Kerken in
Nederland. Ook Opperdoes sloot zich bij deze vereniging aan. De 6e juni 1897 verwisselde ds. F. Moet
Opperdoes met Heerde. De 8e mei 1998 arriveerde ds. R.J. Aalberts als gereformeerd predikant in Opperdoes.
Hij werd door de bevindelijken te licht bevonden. Nog in het jaar van zijn intrede verlieten de eerste
bezwaarden de gemeente. Het waren C. Stam en zijn zoons Jan en Klaas. Zij verklaarden zich aan te zullen
sluiten bij de Christelijke Gerformeerde Kerken, een verband dat na 1892 was gesticht door leden van de
Christelijke Afgescheiden Kerken die meenden niet met de vereniging mee te kunnen gaan. Toen ds. Aalberts in
1904 naar Wovega vertrok was er naast de Gereformeerde Kerk in Opperdoes een Christelijke Gereformeerde Kerk
ontstaan en geinstitueerd. Deze institutie vond plaats op 7 december 1902. Er was in hetzelfde jaar al een
kerkje gebouwd in de Kerkebuurt achter de kleine cooperatieve zuivelfabriek, nadat ze al sinds 1899
godsdienstoefeningen hadden gehouden in schuren en stallen. De afscheiding bleek ook hier weer een
repeterende breuk te zijn. De 9e juli 1905 kwam ds. J.H. Beurmer de weer tot rust gekomen gereformeerden als
perdikant bedienen. Hij vbertrok in 1907 naar Ureterp.
1909 was opnieuw een gedekwaardig jaar. Niet alleen kwam toen ds. K. Oussoren van Baarland naar Opperdoes,
maar wat minstens zo belangrijk was is het feit dat in dat jaar de bouw van de Christelijke lagere school
begon. Op 2 mei 1910 werd het gebouw plechtig in gebruik genomen. Juist voor het uitbreken van de eerste
wereldoorlog in 1913 vertrok ds. Oussoren naar Borger. Het zou tot 1916 duren voor er een opvolger kwam in
ds. A.H. v.d. Berg uit Landsmeer. Deze bleef tot 1921. Hij vertrok toen naar Neiwerkerk aan de IJsel. Zijn
opvolger was Ds. W. Seinen vanaf 1914 tot 1929. Van 1931 tot 1936 werd de gemeente gediend door ds. J.
Vrolijk. Van 1937 tot 1943 was dit drs. D. roest en ds. A. de Bruin predikant van 1943 tot 1946 was
feitelijk de oorlogs en verzetsdominee van Opperdoes. Tussen 1946 en 1949 diende ds. H. Sweepe deze
gemeente. Hij voelde zich geroepen voor Hardenberg. Daarna kwam ds. A.C. Kersten die de herderstaf tot 1955,
sinds 1951 hanteerde. Zijn volgende gemeente was Bodegraven. Ds. S. v.d. Linde diende de gemeente tot hij in
1962 naar Grootegast verhuisde. Hij was in 1958 gekomen. Ds. H.G. Verhaagen kwam in 1963 en vertrok in 1968
en wel naar Lemmer. Sinds 1970 tenslotte staat ds. J.W. Huisman als gereformeerd predikant.
|