





|
\Opperdoes \geschiedenis \Het onderwijs\
Het onderwijs in Opperdoes
De openbare school was vroeger de enige school in Opperdoes. Zij het dat openbare scholen vroeger
geparenteerd waren aan de staatskerk en dus in feite Hervormd. Het gebouw dat in 1970 t.b.v. de bouw van het
nieuwe dorpshuis werd afgebroken dateerde in haar laatste vorm uit 1829. In dat jaar werd een kleiner gebouw
dat uit de 18e eeuw dateerde zodanig omgebouwd dat aan de eisen die toen aan het onderwijs werden gesteld
kon worden voldaan. Voordat een gebouwtje tegenover de kerk werd neergezet, waarin de lieve jeugd onderwijs
genoot gaf men les in de kerk. Aanvankelijk tilde men niet zo zwaar aan het onderricht, de jongens moesten
vader helpen, de meisjes moeder of ze gingen in een dienstje. Al dat geleer werd maar overbodig gevonden.
Toch gingen er al sinds de reformatie kinderen naar school. Gedurende de middeleeuwen verzorgde de roomse
kerk het weinige onderwijs op de dorpen. Tijdens de Repuubliek der Verenigde Nederlanden, vanaf de opstand
tegen Spanje tot aan de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795, werd het onderwijs per privincie, de
staat was toen feitelijk een federatie van zelfstandige privicies, geregeld. Strikt verplicht was het
onderwijs toen niet en het had dan ook meestal weinig om het lijf. Er waren vier klassen van onderwijzers,
waarvan de vierde klasse, die op het platteland het meest voorkwam nietmeer behoefte te kunnen dan lezen en
schrijven. Het onderwijzerschap werd meestal met dat van koster gecombineerd. Het onderwijs in Opperdoes
kwam voor de eerste keer aan de orde in 1609 en wel in een keur van de stadsregering te Medemblik. In
Opperdoes moest toen paal en perk worden gesteld aan de grote baldadigheid van de jeugd. Behalve dat de
kerkdiensten door geschreeuw en het gooien van stenen op het dak en door de glazen werden verstoord, werden
ijzeren kolfballen door de luidgaten van de toren geslingerd en werd zelfs tijdens de predikatie de klok
geluid. Geregeld drongen door de week wilde mannen de kerk binnen om de kinderen tijdens de les te
molesteren en de koster-meester te jennen. Na deze eerste keur tegen dit soort euvels schijnt het niet veel
te zijn verbeterd want de keuren en boeten tegen deze schenderijen bleven tot in de 18e eeuw in de
Medemblikker keurboeken rondspoken. Om paal en perk aan dit soort baldadigheden te stellen bouwde men een
schooltje aan de Gouw op de plaats waar nu de toegangsweg naar het dorpshuis begint. Gedurende de 18e eeuw,
te beginnen met 1784, begon men onder invloed van de propaganda, die door de in dat jaar door de
doopsgezinde predikant ds. K. Niewenhuyzen opgerichte Maatschappij tot "Nut van't Algemeen" ('t Nut) werd
gevoerd, meer aandacht aan het onderwijs te geven. Na de instelling van de Bataafse eenheidsstaat werd op 21
december 1798 een agent voor nationale opvoeding benoemd (Th. van Kooten) in feite de eerste minister van
onderwijs. Sindsdien kwamen landelijke onderwijsregelingen tot stand. 1801 bracht Opperdoes de eerste
nationale schoolwet (wet van de Palm). In 1803 werden de bestaande zogenaamde bijzondere scholen in feite
genationaliseerd. In 1804 kwam er een nationale regeling van het onderwijs. Een en ander werd weer nader
geregeld in 1806 door raadspensionaris Schimmelpenninck die een nieuwe, de 3e schoolwet (v.d. Ende)
invoerde. Gedurende de inlijving bij Frankrijk (1811-1813) werd het geven van Frans op de scholen verplicht.
Overigens heeft men die jaren die wat het onderwijs betreft sterk geleken op de Duitse bezettingstijd, het
onderwijs sterk verwaarloosd. Deze ontwikkeling had zicht overigens al gedurende het koninkrijk onder
Lodewijk Napoleon (1806-1810) ingezet. Aankweking van de militaire geest werd in die jaren het belangrijkste
geacht. Toen Nederland in 1813 weer zelfstandig werd onder een souvereine vorst bleek de oude gefossileerde
rechtzinnigheid te hebben plaats gemaakt voor moderne godsdienstige opvattingen. Dit maakte het noodzakelijk
(in 1814) de verplichting in te stellen dat een uur per week godsdienstonderwijs op de scholen moest worden
gegeven. De staatsschool voldeed in de ogen van de velen echter niet langer aand e eisen van de Christelijke
opvoeding. vooral na 1834, het jaar van de afscheiding van de staatskerk, kwam de ontevredenheid naar
buiten. Wel was al in 1830 op verzoek van de katholieken enige vrijheid tot het geven van zogenaamd
confessioneel onderwijs gegeven, maar veel was het nog niet. Op 2 januari in 1842 werd in het eerste nummer
van het Nederlandsche Staatsblad aangekondigd dat voortaan een zogenoemde beroepsraad uitspraak zou doen als
een vestiging van een bijzondere school zou worden geweigerd. Tevens zou bij de benoemingen van leerkrachten
worden zorggedragen dat de verschillende religieuze groeperingen in het onderwijskorps zouden zijn
vertegenwoordigd. In de praktijd kwam van een en ander echter weer niet veel terecht. Het jaar 1857 bracht
een wet op het bijzonder en neutraal christelijk onderwijs. De ongelijkheid in subsidiering veroorzaakte
echter veel gekrakeel. Het is vooral de AR-Politicus Groen van Prinsterer geweest die de akties voor
gelijkstelling van de beide onderwijsvormen (Christelijk en openbaar) leidde. Met deze wet zette de berucht
geworden schoolstrijd in, vooral van protestantse zijde, die in 1866 tot de oprichting van een tegenbeweging
in de Vereniging van het Volksonderwijs leidde. Wat Opperdoes betreft staat in het hoofdstuk bijzondere
school hoe deze strijd zich ter plaatse ontwikkelde. De openbare school schrompelde na 1910, toen de School
met de Bijbel alhier startte ineen, vooral toen in de loop van de jaren ook de Christelijke gereformeerden
en confessioneeel hervormden die aanvankelijk nogal vijandig tegenover de uitsluitend gerformeerde school
hadden gestaan hun kinderen naar de nieuwe school gegonnen te sturen. Dit gebeurde vooral nadat de zeer
populaire en oranjegezinde meeste Kuiper de openbare school had verlaten. Een tijd lang was de o.J.o zelfs
een eenmansschooltje. Na 1970 scholen de niet confessionele kinderen in een nieuw gebouw aan de Schoolstraat
(naar deze school genoemd) in de nieuwbouw aan de westkant van het dorp.
De bijzondere school
De School met de Bijbel te Opperdoes ontstond uit een in 1868 op 19 september opgerichte hulpvereniging voor
Christelijk onderwijs, (nationaal) opgericht door ds. W. Visser, afgescheiden predikant te Medemblik, waar
Opperdoes toen kerkelijk voorzover het de afgescheidenen betrof onder resoorteerde. Wekelijks werd voor dit
doel een zogenaamde centscollecte onder de sympathisanten gehouden. Deze situatie bleef ook nadat de
afgescheidenen in Opperdoes in 1883 als gemeente zelfstandig waren geworden bestaan. In 1895 pas werd de
Opperdoezer vereniging van Medemblik los gemaakt. Ze zetten sindsdien haar activiteiten plaatselijk voort.
Rond 1900 zorde de toenmalige gereformeerde predikant ds. Aalberts voor rechtspersoonlijkheid van de
vereniging. De plannen tot stichting van een eigen school kregen na 1905, toen de schoolwet Kuyper voorzag
in een tegemoetkoming bij de salarissen van de onderwijskrachten bij de bijzondere scholen, waste vorm.
In 1907 kocht de vereniging een perceel grond aan het Noorderpad aan als bouwterrein voor het geplande
schoolgebouw. De 2e mei 1910 werd de school, als 997e in de reeks van overal in den lande gestichte Scholen
met de bijbel in gebruik genomen. Twee leerkrachten onderwezen vanaf dat moment tot 1918, de plaatselijke
gereformeerde jeugd. Voor het eerst in de geschiedenis van het dorp trok de jeugd van Opperdoes praktisch
een grote famalie, gescheiden ter schole. Het ging van meet af aan goed met de school Reeds in 1918 kon de
derde onderwijzer worden benoemd. Al in 1919 was de school te klein geworden en werd een derde lokaal
aangebouwd. In 1920 volgde de financiele gelijkstelling van het openbaar en christelijk onderwijz. In 1922
voerde de regering de leerlingenschaal echter op waardoor de school zich weer met twee leerkrachten moest
behelpen. Het duurde tot 1928 voor de derde meester weer mogelijk werd. In 1932 kwam er zelfs een vierde
bij. De school werd hierdoor opnieuw te klein zodat in 1938 besloten werd een nieuw gebouw neer te zetten.
Dit werd op 17 mei 1940 officieel in gebruik genomen. De oorlog van mei 1940 was toen juist in het nadeel
van ons land beslist. Nerderland was bezet gebied geworden. De nationaal socialistische bezettingsmacht had,
zoals al werd verwacht niet veel op met het bijzonder onderwijs. Onder druk van de bezetter werd in 1941 een
begin gemaakt het recht van benoeming der leerkrachten, die bij de bijzondere scholen in handen van
ouderverenigingen en schoolbesturen beruste, aan de staat te brengen. Deze poging werd door de leden van
genoemde colleges terecht beschouwd als een aantasting van na veel strijd verworven rechtn en een eerste
aanloop om het onderwijs in de toekomst te kunnen nazificeren. Dit zogenoemde benoemingsbesluit wekte veel
verzet in christelijke onderwijskringen. De schoolraad voor de scholen met de Bijbel en CVO (Vereniging voor
Christelijk Volksonderwijs) die officieel door de overheid waren opgeheven werkten als een illigale
organisatie voort, zo het schoolverzet representerend. Deze organisaties adviseerden aan de schoolbesturen
het benoemingsbesluit naast zich neer te leggen. Opperdoes werd een van de eerste slachtoffers. Per telegram
dd 5 oktober 1942 werd het bestuur voor de volgende dag ter verantwoording geroepen op het departement van
O.W. en K (Onderwijs, Wetenschap en Kultuurbescherming) dat onder leiding stond van de pro-duitse hoogleraar
Duits prof. dr. J. van Dam. De heer J.J. Feringa, waarnemend inspecteur voor het onderwijs in de inspectie
Hoorn, die verantwoordelijk wasw voor de benoemingen in zijn ressort had de onregelmatige benoemingen die
hem waren gemeld doorgegeven aan het departement. De heer Noordijk schoof bij de besprekingen met het
schoolbestuur van Opperdoes de Duitsers als zijn opdrachtgevers naar voren en eiste dat het bestuur een
nieuwe opgroep voor sollicitanten zou plaatsen en vervolgens een voordracht bij de inspecteur te Hoorn in
zou dienen. Noordijk zou de inspecteur dan gelasten de nummer 1 van deze voordracht te adviseren. Zo zou het
bestuur dan toch diegene krijgen die het wenste zo stelde hij het voor. De beide afgevaardigden van het
schoolbestuur en zijn secretaris die van te voren waren geinstrueerd door leden van de ondergrondse
schoolraad, verklaarden hierop de voorstellen van Noordijk eerst met hun bestuur te moeten bespreken.
Tijdens de hierop volengde bestuursvergadering die op 8 oktober plaats vond was een der contactfiguren van
de goed georganiseerde Noord Hollandse afdeling van de illegale schoolraad aanwezig. Deze verzocht de
betrokkenen met klein het verzetfront niet te breken. Het bestuur besloot mede op dit verzoek geen nieuwe
sollicitanten oproep te plaatsen. Toen met dit besluit aan de secretaris generaal prof. van Dam berichtte,
volgde een dreigbrief. De subsidies zouden worden ingetrokken. De meerderheid van het bestuur werd daardoor
benauwd, maar de minderheid dreigde heen te gaan als men toegaf. Hierop werd na ampele besprekingen besloten
de beslissingen over te laten aan een ledenvergadering. Deze besloot met slechts een stem blanco bij de
verklaring van niet naleving te volharden. Onder al deze bedrijven was het intussen juni 1943 geworden. Op
16 juni schreef de HSV (Hauptabteilung Soziale Verwaltung) aan de Fachberater bij het GAB te Alkmaar een
sort Duitse pottenkijker dat Wimmer, Generalkommissar fur Verwaltung und Justiz haar een lijst had
toegezonden met de namen van de znder naleving benoemde onderwijzers. De HSV zond het betreffende GAB onder
andere het adres van meester Monteban. Deze kreeg opdracht zich op 10 juli in Medemblik te melden. Hij ging,
kreeg twee dagen uitstel omdat zijn vrouw op het punt stond te bevallen en dook een dag later, nadat de baby
was geboren met hulp van ds. J. Kampman, de christelijke gereformeerde predikant onder. 14 juli werd
opdracht gegeven de niet opgekomen onderwijzer te arresteren. De vogel was echter gevlogen. Met deze nogal
opzienbarende zaak die de gemoederen ter plaatse hevig in beweging bracht beet Opperdoes het spit af in een
zeer principiele zaak, die het christelijk onderwijs in het gehele land aanging. De Opperdoezers hielden
stand en sterkten daarmee het verzet tegen de nazificering van de bijzondere scholen in Nederland niet
onbelangrijk. Het waren naast de kranige plaatselijke voorzitter de Heer J. Vijn vooral het hoofd van de Dr.
A. Kuyperschool te Andijk Oost, F. de Boer en de schrijver K. Norel te Enkhuizen die het schoolverzet in
deze streek stimuleerden en een goed resultaat in deze voor gereformeerden zo typerende zaak bereikten. De
schoolstrijd toch heeft de Nederlandse calvinisten altijd hevig beziggehouden. Opperdoes maakte hierop geen
uitzondering. Ook hier is dezer mannen broeders trouw zeer hecht bevonden.
|